Meer lastpak dan studiebol

Geplaatst op: woensdag 22 maart 2017
Stijn Loeber (35) was op school meer lastpak dan studiebol en is nog steeds niet goed in leren. Inmiddels begeleidt hij anderen om hun wetenschappelijke studie goed af te sluiten. “Het draait allemaal om zelfredzaamheid.”
1304066900large_uitsnede__1__news_detail

Vroeger voelde Stijn Loeber zich als in een Ferrari waarvan hij het gaspedaal telkens te hard in trapte. “Mijn moeder zei dat ik mijn eigen kracht niet kende. Als ik met iets bezig was, botste ik meteen overal tegenaan.” Loeber heeft zijn cognitieve en sociale vaardigheden niet zo goed onder controle. Het duurde daarom lang voordat hij wist dat hij niet dom was. Uiteindelijk zou hij ontdekken dat hij ADHD had en wees een intelligentietest uit dat hij tot de slimste 10 procent van HBO/WO behoorde. Maar eerst werd hij naar een lomschool gestuurd - voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden. “Ik was het jongetje dat altijd nog even doorpraatte of niet oplette omdat hij in gedachten was.”

Helpen
Hij vertelt erover in een Amsterdamse café onder zijn twee kantoren. Tijdens het interview lijken Loebers gedachten als een konijntje steeds een andere kant op te springen. Bij vragen naar voorbeelden, valt hij stil. “Ik ben heel slecht in vrije herinnering”, zegt hij dan schuldbewust. Als hij de draad weer oppakt, vertelt hij soepel verder, maar springt zo weer een interessant zijpad op. Dat komt ook omdat het ineens over hemzelf gaat, vertelt hij. Zijn hoofd is een stuk helderder als hij anderen begeleidt. Juist daarom startte hij in 2009 het bedrijf Afstudeerbegeleider, met inmiddels acht werknemers. Ze helpen daar waar het Nederlandse onderwijs volgens Loeber vaak te kort schiet: leerlingen laten inzien waaróm ze iets doen en dat ze het zélf kunnen. Loeber houdt zich tegenwoordig dus bezig met het wetenschappelijk onderzoek van scriptiestudenten en zelfs promovendi. Niemand van zijn docenten op de basis- en middelbare school had dat waarschijnlijk voor mogelijk gehouden.

Gabber
Op de lomschool merkte Loeber al snel dat hij er niet thuishoorde. Met rekenen liep hij door de gang naar een paar klassen verderop om op zijn eigen niveau te kunnen meedoen. “De kinderen daar hadden een totaal ander interesseveld. De ene wilde later loodgieter worden in zijn vaders bedrijf, de ander vrachtwagenchauffeur.” Loeber wilde uitvinder worden, maar zei maar ‘boswachter’. Dat hij het schoolschaaktoernooi won, maakte hem nog minder populair. In groep zeven trok hij het echt niet meer. Hij ging weer terug naar zijn oude school en maakte een Citotoets op Havo/VWO-niveau. Het advies van de school luidde echter: ‘Mavo, met bijles’. Loeber: “Bijles noemden ze er met nadruk bij.” Hij snapt het ergens wel. Nog steeds heeft hij moeite met leren. “Ik ben snel afgeleid en slecht in alles waar rijtjes aan te pas komen.” Thuis vond hij het razend interessant om te stoeien met net in huizen geïntroduceerde computers.
Ondanks het schooladvies ging hij naar een havo-vwo klas. Daar volgden opnieuw veel schorsingen en overplaatsingen naar andere scholen. “Ik was echt onhandelbaar.” Loeber was uitgegroeid tot een gabber met een kaalgeschoren kop. Hij luisterde naar hardcore, was betrokken in veel vechtpartijen en zette een grote mond op tegen docenten. Over zijn eigen intelligentie was hij onzeker en gefrustreerd. “Ik wist dat ik dingen moest kunnen, maar ze lukten niet.” Misschien ging hij daarom ook wel het moeilijke kind uithangen, denkt hij nu. “Die reputatie diende als een soort schild. Een veilige haven.”

Regels
Loebers relatie met zijn ouders liep ook niet lekker. Toen hij na de zoveelste ruzie een half jaar lang bijna nooit meer thuis was gekomen, vertelde hij hen dat hij sturing nodig had. Bij het volgende gesprek kwamen zijn ouders aanzetten met allerlei regels over hoe laat hij thuis moest zijn. Dat was niet wat hij bedoelde. Wat dan wel? “Mijn hele jeugd had ik het gevoel dat ik niet gezien werd. Ik wilde dat iemand mij pushte, uit mijn comfortzone, naar de capaciteiten die ik had. Dat iemand zei: dit is wat ik van je verwacht, je kunt beter dan dit.”
Die mensen kwamen pas later langs in Loebers leven. Op zijn achttiende ontdekte Loeber dat hij ADHD had, maar deed hij er nog niets mee. Hij werkte na de middelbare school nog even in de horeca en de deurverkoop en besloot het leger in te gaan. Dat had hij gedaan als hij niet op een feestje van zijn ex in een goed gesprek was afgeluisterd door haar vader. De man kwam naar Loeber toe en raadde hem aan vooral niet het leger in te gaan maar psychologie te studeren. Loeber vond het nogal ‘geiten-wollen-sokken’, maar deed het uiteindelijk wel.

Gelukkig.”
Bij het allereerste college ging Loeber in een volle zaal in discussie met de docent. Toen hij de stelling van de docent weerlegde, zei die: ‘hier kun jij dus je scriptie over schrijven’. In alle volgende discussies voelde Loeber zich als een vis in het water, maar artikelen lezen bleef moeilijk. Pas toen mensen hem om hulp begonnen te vragen leerde hij artikelen snel door te scannen. Voor zijn ADHD kreeg hij eindelijk medicijnen, via een schoolpyscholoog. Loebers afwijkende leervermogen viel op in een toets waarbij de vragen steeds moeilijker werden. Het score-lijntje van Loeber liep als enige niet van boven naar beneden, maar juist omhoog. Vragen als  ‘noem vijf redenen’, wist hij niet. “Dat zijn dus die rijtjes”. Hij kwam pas op gang bij vragen als ‘hoe kun je dit verklaren?’.

Je kunt beter
Zijn eigen intellectuele vaardigheden ontdekte hij pas echt in het vierde jaar. Dat was vooral te danken aan de reacties van anderen. Hij liep vast met zijn scriptie omdat hij zijn onderwerp steeds verder uitbreidde, zoals hij nu zoveel studenten ziet doen. Voor een tweede begeleider klopte hij aan bij meneer Groenland, die hij al kende van een ander vak. Groenland keek naar Loebers maandenlange werk en gooide het- “letterlijk!”- in de prullenbak. Hij verwachtte beter. Loeber moest in een week tijd alle statistiek- en methodenvakken nog eens doornemen, zijn eigen analyses overdoen en erbij schrijven waaróm hij dat deed. Dat werkte, tot Groenlands verbazing en die van Loeber zelf. Het verhaal verspreidde zich en studiegenoten vroegen Loeber steeds vaker om hulp bij statistiek. Uiteindelijk kreeg Loeber een felle reactie van een klasgenoot toen hij zei bang te zijn voor het cijfer van zijn net gemaakte tentamen. “Als jij je al zorgen maakt”, zei de jongen resoluut, “moeten wij helemaal bang zijn! ” Het was de eerste keer dat iemand zo op Loeber reageerde. “Aha”, dacht hij. “Dus zo denken jullie nu over mij?”
Na zijn master economische psychologie werkte hij eerst nog een paar jaar bij banken, maar was vaak te eigenwijs. Toen hij, na een zoveelste ontslag, een vriendin hielp met statistiek, dacht hij: Waarom zou ik dit niet vaker doen? Zo begon hij Afstudeerbegeleider. Het ondernemen beviel hem zo dat hij ook CRM -fabriek oprichtte, dat bedrijven helpt hun computersystemen te structureren.

Afstudeerbegeleiding
Studenten lopen volgens Loeber vaak vast bij hun scriptie omdat ze dan voor het eerst kennis moeten produceren. Loeber: “Ze hebben liever een moeilijk tentamen. Reactief in plaats van proactief.” Hij wijt dat aan de lesmethode van veel docenten: ‘doe maar gewoon wat ik zeg, dan is het oke’. Dat sluit niet aan op de manier waarop mensen tegenwoordig moeten werken. “Vaak maakt het antwoord niet veel meer uit. Het gaat om de manier waarop je daar komt en het bedenken van strategieën over hoe dat anders zou kunnen.”

Een afstudeerbegeleiding begint door samen kritisch te kijken naar wat al op papier staat. “Hoe ben je ertoe gekomen om dit zo op te schrijven?”, vraagt Loeber dan. Studenten vertellen vaak dat hun stagebegeleider zus zei en hun docent zo. Loeber: “Pas als ze al die meningen links laten liggen, komt hun verhaal er veel duidelijker uit. Ze lopen bijvoorbeeld vast omdat hun docent ooit zei dat het goed ging, terwijl ze zelf zagen dat er iets helemaal niet klopte. Als ze dan aannemen dat de docent het beter weet, raken ze de controle over hun verhaal kwijt.”

Een ander gemis in het onderwijs vindt Loeber de waaromvraag. “Waarom doe je nou eigenlijk natuurkunde en wiskunde en leer je geschiedenis? Nu wordt dat vaak overgeslagen.” Hij legt studenten uit waarom een inleiding, een probleemstelling en een theoretisch kader handig zijn en probeert ze vooral te motiveren met hun eigen plannen. Loeber noemt het ‘spiegelen’. Dat begint bijvoorbeeld met de vraag wat iemand wil doen deze week en vervolgens de vraag of dat gelukt is. ‘Nee? Waar ligt dat aan? Ga het nog maar een keer proberen.’ Zichzelf als kind zou hij op die manier ook bewust willen maken van zijn eigen gedrag en hem daarop laten reflecteren. Daarbij zou hij ongevoelig zijn voor smoesjes. Loeber: “Daar was ik een koning in. Echt zonde.” Nog steeds kan hij zich zo gemakkelijk onder afspraken uitpraten dat hij het moeilijk vindt om zich eraan te houden. Maar het belangrijkste advies voor zijn vroegere zelf zou zijn: “jouw mening mag er zijn, je hoeft je niet te verstoppen.”

---------------------

 

Begeleidingstips
Comfortzone - Loeber zegt vaak tegen zijn studenten en medewerkers dat het niet uitmaakt als het een keer verkeerd gaat. “Als je maar zorgt dat je zoveel mogelijk in de ruimte zit waar je comfortzone en je capaciteiten ophouden. Wie daarin opereert, wordt steeds beter.”

Ik denk - Een andere anti-faalangst-tip van Loeber: “Ik denk wel dat jij het kan. Dus als zegt dat jij het niet kan, voer ik mijn werk blijkbaar niet goed uit. Het enige wat ik van je vraag is om dit ten volle overgave te doen.”

Terugkijken - Van te voren bespreekt Loeber vaak met medewerkers wat zij van zichzelf verwachten om dat later te vergelijken met wat er is bereikt. Als dat meer is dan ze hadden verwacht, luidt de conclusie: “De volgende keer als je denkt iets niet te kunnen, is er dus een kans dat je dat wél kan.”

Je best - Een veilige omgeving creëren begeleiders ook door studenten goed te kennen en bij een fout antwoord te zien of iemand echt zijn best heeft gedaan. “Is dit echt het beste antwoord dat je kunt geven? Nee? Probeer het dan nog maar een keer.”

Zelf -Loeber leert zijn medewerkers om geen non-verbale signalen te geven. Veel studenten worden zo goed in het ‘lezen’ van hun docent of begeleider, dat ze zich naar het goede antwoord laten begeleiden. Het is beter om een student te laten inzien dat hij het zelf moet doen en dat ook kan.

« Terug naar het nieuwsoverzicht