Interview met Dick van Hennik, voorzitter van de vereniging Begaafdheidsprofielscholen (PBS)

Geplaatst op: donderdag 04 mei 2017
‘We hebben nooit waarde gehecht aan testen waaruit bleek dat het kind hoogbegaafd was.’
Dick_van_hennik-5813_news_detail

Gillend gek werden ze vijfentwintig jaar geleden, de ouders van hoogbegaafde kinderen. Nergens werden ze begrepen. Bijna overal kregen ze het gevoel dat ze drammerige ouders waren. Een soort Don Quichottes, die als enigen ter wereld geloofden dat hun kind hoogbegaafd was. De cijfers spraken toch boekdelen? Grauwe middelmaat, mevrouw! Ons land schreeuwde om scholen waar goed onderwijs werd gegeven aan hoogbegaafden en: om een standaard. 

Begin jaren negentig wisten we ons nog amper raad met hoogbegaafden. Aandacht voor kinderen die extra begeleiding nodig hadden, was er volop. Maar oog voor kinderen die veel meer in hun mars hadden? Niet of nauwelijks. Die kinderen redden zichzelf wel, zo was de gedachte.

Experimenteren
Dick van Hennik, voorzitter van de vereniging Begaafdheidsprofielscholen (PBS), was destijds rector van Scholengemeenschap Dalton in Voorburg. ‘Onze school had een mavo, een havo en een vwo. We hadden niet uitsluitend te maken met kinderen die overduidelijk op hoog niveau presteerden, maar ook met onderpresteerders: kinderen die niet meer op het vwo of zelfs de havo terecht konden, omdat hun cijfers kelderden. Die hadden een ander soort onderwijs nodig, maar het onderwijsveld was daar niet aan toe.’ Dalton Voorburg is toen gaan experimenteren, vertelt Van Hennik. ‘We kwamen tot de conclusie dat als een kind over bepaalde kenmerken beschikte de onvoldoendes voortkwamen uit hoogbegaafdheid en niet uit onvermogen. Wat voor kenmerken? Wijsneuzigheid, een heel brede vocabulaire en het vermogen om divergent te denken.’

Alleen maar vieren
Met name in het begin werd heel veel gediagnosticeerd. Onnodig, vonden ze bij Dalton Voorburg. ‘We hebben testen nooit als voorwaarde gezien om de leerlingen als hoogbegaafd te erkennen. Hij onderstreept zijn bewering door een intakegesprek te beschrijven. ‘Moeder loopt voorop. Onder haar arm een dik pak papier: bewijsmateriaal dat het kind hoogbegaafd is. Ze is duidelijk gespannen. Vader volgt; hij is uit solidariteit meegekomen. Tot slot een lange knul van een jaar of vijftien. Op zijn gezicht een blik van: daar gaan we weer. Zwijgzaam hangt hij in zijn stoel. Moeder vertelt: ‘Kijk, hieruit blijkt dat onze zoon hoogbegaafd is.’ Tot haar verbazing kijk ik helemaal niet naar die papieren en zeg ik: ‘Mooi, dan gaan we eens kijken wat we daarmee kunnen doen.’ Ze zegt: ‘Moet u dit materiaal dan niet bekijken?’. ‘Nee’, zeg ik. ‘Maar hij heeft alleen maar vieren gehaald’, werpt ze nog tegen. ‘Tja, dat komt voor’, zeg ik dan. Ik vond het gesprek belangrijker dan de uitslag van een test.’

Frustraties
Jarenlang vonden ouders van hoogbegaafde kinderen bijna nergens gehoor, aldus Van Hennik. ‘Ik kan me herinneren dat ik eens bij Pharos, de landelijke vereniging van ouders van hoogbegaafde kinderen, een lezing mocht geven over wat we bij Dalton Voorburg aan het opbouwen waren. Daar kwam weinig van terecht. Die mensen in de zaal waren keer op keer gestuit op onbegrip. Ik kreeg alleen maar frustraties te horen. Dat is nu gelukkig wel anders.’

Van Hennik vervolgt: ‘Vervolgens vraag ik de moeder te zwijgen en ga ik met die zoon in gesprek. Die kijkt in het begin alleen maar vragend naar zijn moeder, alsof die hem moet influisteren wat hij moet zeggen. Maar dat gebeurt niet; ik wil dat hij het zelf vertelt. Gaandeweg merkt hij dat ik hem begrijp en dat hij gehoord wordt. En dat er perspectief is om de zaak te keren en met onze aanpak voldoendes te scoren, en wellicht alsnog vwo te doen. En als dat niet lukt, dan toch in ieder geval met veel meer plezier naar school te gaan.’

Ondersteunende vereniging
Hoewel de voormalige rector van Dalton Voorburg al een poos met pensioen is, kan hij het leren niet laten. Niet ver van de Kralingse Plas in Rotterdam heeft hij een filosofiepraktijk, waar hij met individuen en groepen (bijvoorbeeld (afdelingen van) scholen en bedrijven) in gesprek gaat over keuzes en levenskwesties. Daarnaast is hij onbezoldigd voorzitter van de vereniging Begaafdheidsprofielscholen (BPS). Een club die zelf ook leert, zo blijkt. Zo heeft BPS de eis dat aangesloten scholen over minstens twee ECHA-opgeleide medewerkers moeten beschikken al lang geleden losgelaten. ‘We vinden dat er specialisten in de school moeten zijn, maar dat hoeven niet per se ECHA-specialisten te zijn. Ze mogen ook op een andere manier aan hun expertise komen. Als de school maar over voldoende kennis van hoogbegaafdheid beschikt. Is dat niet het geval, dan kan de school geen adequate begeleiding bieden. Of er voldoende expertise aanwezig is, zal blijken tijdens de visitatie.’

De visitaties worden ondersteund door gepensioneerden uit het onderwijs, vaak afkomstig van BP-scholen. Zij fungeren als secretaris van de visitatiecommissies. De visiteurs luisteren niet alleen naar wat de school vertelt, maar ook wat de leerlingen en hun ouders vinden. Wijken de scores van de digitale enquête van het management van de school sterk af van de scores van docenten of leerlingen, dan is er sprake van een discrepantie. Van Hennik: ‘De vraag is dan: heeft de schoolleiding dat ook gezien? Zelfevaluatie door de school is een belangrijk punt. Dat visiteren kan trouwens op verschillende manieren. Je kunt zeggen: ‘Dit en dat klopt niet, wat gaan jullie daaraan doen?’ Maar je kunt het ook anders insteken en vragen: ‘We hebben van alles gezien, maar waar ben je nou zelf het trotst op?’ Visiteren door checklist af te vinken vinden wij ongewenst. We gaan vooral uit van de visie van de school. Daarom gaan we altijd op naar wat goed gaat en wat verbeterd kan worden.’

Goed bestede tijd
Tijdens de visitatie spreken de visiteurs ook met leerkrachten die géén les geven aan hoogbegaafden. Wat is daarvan de reden? Van Hennik: ‘Juist de houding van deze leerkrachten is vaak veelzeggend. Als zij hoogbegaafdheid niet accepteren en niet snappen dat een hoogbegaafde af en toe een les mogen missen, loopt de hoogbegaafde vast. Dan vindt hij alleen maar begrip in dat kleine clubje in zijn directe omgeving.’
De lessen die hoogbegaafden missen, worden doorgaans heel goed besteed, weet Van Hennik. ‘Ik heb meegemaakt dat een leerling in de tijd die ‘vrijviel’ naar het conservatorium ging. Een andere leerling, een jongen van ongeveer veertien jaar, deed twee jaar in één op het vwo, volgde aan de universiteit van Leiden modules over astrologie en schreef zijn profielwerkstuk over zwarte gaten. Dat was zo’n goed stuk dat zelfs zijn natuurkundedocent, die toch echt heel slim was, het niet goed kon beoordelen en daarom de beoordeling overliet aan een docent van de universiteit.’

BPS wil naar eigen zeggen een ‘critical friend’ zijn. Hoe kritisch en vriendschappelijk is BPS werkelijk? Van Hennik: ‘Normaal wordt iedere school eens in de vier jaar gevisiteerd. Uiteraard zijn de scholen zelf verantwoordelijk voor hun kwaliteit. Het komt vaker voor dat scholen zelf hun lidmaatschap opzeggen dan dat wij scholen het certificaat ontnemen na het uitvoeren van een visitatie. We zijn redelijk streng, maar ook coulant. Als een school nog niet helemaal klaar is, geven we bijvoorbeeld ook wel eens een certificaat af voor twee jaar. Dan komen we na twee jaar terug om opnieuw te visiteren.’
Het certificaat kun je zien als een keurmerk, aldus Van Hennik. ‘Sommige scholen tonen het prominent op hun website. Maar de mate waarin scholen het certificaat inzetten bij hun promotie, scheelt sterk van school tot school.’ Een school die eenmaal BPS is, hoeft niet te denken: we zijn er. ‘Wij toetsen of scholen zich verder ontwikkelen. Onze ervaring is dat het van belang is kennis van hoogbegaafdheid langjarig te borgen. Als een paar kenners van begaafdheid vertrekken of met pensioen gaan, kan het zijn dat de school niet meer voldoende expertise in huis heeft. Of de school erop geanticipeerd heeft, komt er overigens dan wel uit bij de visitatie.’ 

Toezichtskader aangepast

In 25 jaar is het onderwijs aan hoogbegaafden aanzienlijk verbeterd. Toch ziet Van Hennik nog ruimte voor verbetering. Wat zouden scholen wat hem betreft  bijvoorbeeld vooral niet moeten doen? Van Hennik: ‘Ouders vragen te bewijzen dat hun kind hoogbegaafd is. Dat weten ze zelf vaak het beste.’ En wat wél? ‘Alles waarmee hoogbegaafden gebaat zijn. Wat dat is – voltijds HB-onderwijs, veel aandacht voor muziek, dans en drama, schaaklessen of vreemde talen –  maakt niet zoveel uit.’
En de overheid? ‘Die ziet nu ook in dat goed onderwijs niet wordt afgedwongen met een x-aantal lesuren en dat je scholen de ruimte moet geven om passend onderwijs te geven. Hoogbegaafden hebben al die lessen niet nodig. Jarenlang belemmerde de overheid in feite scholen om goed onderwijs te leveren, door te eisen dat allerlei informatie werd vastgelegd. Gelukkig ziet de overheid nu zelf ook in dat dat een heilloze weg is en is het toezichtskader van de inspectie aangepast.’

Dit jaar vieren de begaafdheidsprofielscholen hun tienjarig bestaan. Waar staan ze in 2027? Van Hennik: ‘We gaan ons nu met name richten op het probleem van de thuiszittende hoogbegaafde leerlingen en aan het voorkomen daarvan. Waar we over tien jaar staan, weet ik niet. Wat ik wel weet, is dat we afhankelijk van de behoeften van hoogbegaafden steeds weer nieuwe initiatieven zullen ontwikkelen.’

www.begaafdheidsprofielscholen.nl

 

[kader]

Landelijk dekkend netwerk van begaafdheidsprofielscholen

Dol moeten ze ervan zijn geworden op het ministerie van OCW. Steeds maar weer diezelfde vraag van ouders: ‘Mijn kind is hoogbegaafd. Waar kan het terecht?’ Daarom verstrekte het ministerie sinds 2004 drie jaar lang subsidie om een landelijk dekkend netwerk van begaafdheidsprofielscholen (BPS) op te zetten, naar analogie van de LOOT-scholen. Na afloop van het project hadden 22 middelbare scholen het BPS-certificaat behaald.

Om te voorkomen dat wat in drie jaar was opgebouwd geleidelijk weer in verval zou raken, werd in 2007 de Vereniging BPS opgericht. Dick van Hennik, voormalig rector van een van de BPS-scholen (Scholengemeenschap Dalton Voorburg), is voorzitter: een onbezoldigde functie.

Volgens het CBS telt Nederland 642 VO-scholen (2015). Daarvan zijn er zestig lid van BPS; ongeveer een op de tien. Van Hennik: ‘Dat is maar een fractie. Wij hebben niet als doel zo groot mogelijk te worden. Wel vinden we dat eigenlijk iedere school een begaafdheidsprofielschool zou mogen zijn. Een goede landelijke dekking is wel zo prettig. Nu zijn er nog met name in Noord-Holland en Zeeland witte vlekken.’

 

[kader]

Begrip voor hoogbegaafden

Vanaf het moment dat Van Hennik rector was van Scholengemeenschap Dalton Voorburg is de school met hoogbegaafdheid in de weer geweest. ‘We waren in de jaren negentig samen met het gymnasium in Nijmegen en het Olympia in Arnhem zo’n beetje de eerste school in Nederland waar kinderen terecht konden als ze waren vastgelopen op hun eigen school. De leerlingen kwamen van heinde en verre, zelfs uit Bloemendaal, Etten-Leur en Eindhoven. Niet iedereen haalde zijn diploma, maar de leerlingen kregen in ieder geval wel het gevoel dat ze er mochten zijn.

Zelf weet Van Hennik dat hij ‘best slim’ is, al gaven ook bij hem de rapportcijfers nauwelijks aanleiding te veronderstellen dat hij (hoog)begaafd was. ‘Op de basisschool deed ik het prima: negens en tienen. Daarna ging ik naar de mulo, vervolgens naar de hbs. Daar haalde ik zessen en zesenhalfjes. Ik kom van een eenvoudig boerengezin op Voorne-Putten. Ik moest alles nog ontdekken. Ik sprak dialect en moest bij wijze van speken nog leren dat je elke dag je tanden poetst. Ik heb na mijn MO-akte geschiedenis geen studies meer gedaan, maar vooral cursussen gevolgd. Ik kon mijn eigen denken maar moeilijk koppelen aan het denken van een docent. Misschien dat ik daarom begrijp hoe hoogbegaafden leren.’

 

[kader]

Vernietiging van menselijk kapitaal

Van HB’ers die vastlopen in het reguliere onderwijs zijn voorbeelden te over. Eén van hen is Erik van den Boom (1997), die al op zijn dertiende zijn gymnasiumdiploma haalde, nadat hij de eerste vier jaar van het gym in één jaar had gedaan. Hij was onder meer in 2012 te gast bij De Wereld Draait Door. Erik begon aan een studie Natuurkunde in Delft, maar dat werd geen succes. Hij besloot onder de naam ‘Arbores’ muziek te gaan produceren. ‘Als ik achttien ben, kan ik altijd nog gaan studeren.’

Van Hennik: ‘Hij moest van negen tot vijf colleges volgen en practica doen. Dat ging niet. Hij had nog nooit in een normale les gezeten. Ons onderwijs is niet ingericht op dergelijk briljante studenten en dat kun je zien als menselijke kapitaalvernietiging.’

« Terug naar het nieuwsoverzicht

Reageer